Zet zich schrap lichtvoetig
maatje zevenendertig
om een pijpenkrullen gebaar
komt nederig teder over
stembandje opgepompt
tot zeven hoog in wentel
trappen die ze neemt
naar boven van't balkon
in glijvlucht naar beneden
het komt hard over ook
hoe plat uitgedrukt haar
bloedomgeven plasje lijk
nog steeds zo sprekend lijkt
de speelse gewortelheid
in onbevangen gronden
waar zij in dauwrijp groen
wordt beet genomen
maagdelijk verlangen
dat teder uitgespreid
is meer verwachting
dan uitgesproken wijs
de verpletterde indruk
van gelakte schoenen
vers gestreken plooien
van haar bevlekte rokje
die zomerse rotheid
van de herfst prijkt